‘Dat zullen we nog wel eens zien!’

Erfrecht geeft soms een onthullend inkijkje in familieverhoudingen. Zeker wanneer het gaat om de vraag wie welk deel van een nalatenschap krijgt — en wie vindt dat hij recht heeft op méér.

In deze zaak ging het om een man en een vrouw die beiden kinderen uit een eerdere relatie hadden. Zij trouwden op huwelijkse voorwaarden, met een finaal verrekenbeding. Dat betekende dat bij het einde van het huwelijk — bijvoorbeeld door overlijden — ieder binnen acht maanden kon eisen dat hun vermogens werden samengevoegd en bij helfte verdeeld. Wie geen beroep deed op dat recht, behield simpelweg zijn of haar eigen vermogen.

De man was vermogender dan de vrouw. In zijn testament had hij een tweetrapsmaking opgenomen: zijn vrouw kreeg zijn vermogen, maar onder de voorwaarde dat het na haar overlijden zou toekomen aan zijn kinderen. Zij mocht er dus tijdens haar leven van genieten, maar het vermogen was uiteindelijk bestemd voor zijn kinderen.

De man overleed. De vrouw deed binnen de gestelde termijn geen beroep op het verrekenbeding. Dat leek ook niet nodig: zij kon immers beschikken over het vermogen van haar overleden echtgenoot.

Toen de vrouw later zelf overleed, liet zij haar relatief bescheiden eigen vermogen na aan haar kinderen. Het grotere vermogen van de man ging, zoals in zijn testament bepaald, naar zijn kinderen. De kinderen van de vrouw wilden daarvan ook wel een deel en zochten een argument. Volgens hen had hun moeder wél beroep gedaan op het verrekenbeding, maar dan impliciet, door de manier waarop zij haar vermogen had opgenomen in haar belastingaangifte. Omdat het huwelijk door overlijden was geëindigd, zou zij de benodigde verklaring alleen aan zichzelf hebben hoeven doen: er waren volgens de kinderen van de vrouw geen andere rechthebbenden op dat moment, aan wie zij die keuze had moeten vertellen. Als dat klopte, zou haar nalatenschap groter zijn en zouden haar kinderen dus meer erven.

De rechtbank en het hof dachten er echter anders over. De kinderen van de man waren namelijk óók rechthebbenden, zij het onder een opschortende voorwaarde. Dat betekende dat de vrouw een beroep op het verrekenbeding ook aan hen kenbaar had moeten maken. Dat had zij niet gedaan. Daaruit volgt dat zij geen gebruik had gemaakt van het verrekenrecht.

En zo visten de kinderen van de vrouw achter het net en bleef het vermogen van de man bij diens eigen kinderen.

(Bron: Hof Den Haag, 11 november 2025, nr. 200.336.616/01)

Bron: | 03-03-2026

Similar Posts