Laatste wil over begrafenis moet worden gerespecteerd, ook al was de overledene dement

Een man bepaalt dat hij Joods wil worden begraven. Zijn kinderen houden dat tegen, omdat hun vader bij het bepalen van zijn wil al aan het dementeren was. De voorzieningenrechter moet de knoop doorhakken.

Als een man overlijdt, treft de Vereniging Het Joods Begrafeniswezen (JBW), met instemming van de vier kinderen van de overledene, de voorbereidingen om te komen tot een Joodse begrafenis. Zo is, op grond van de Wet op de lijkbezorging, het vereiste verlof tot begraving aangevraagd. Vier dagen na het overlijden laten de kinderen echter weten dat zij niet langer instemmen met het overdragen van het lichaam aan JBW voor een Joodse begrafenis. Dit leidt tot een conflict waarover de voorzieningenrechter (rechtbank Noord-Holland) moet beslissen.

Wet op de lijkbezorging

Een half jaar voor zijn overlijden geeft de man een onderhandse akte van volmacht af aan zijn advocaat. Daarin staat zijn wens om Joods te worden begraven. Die advocaat is nu advocaat van JBW. Deze vereniging heeft inmiddels het verlof tot begraven verkregen. In de Wet op de lijkbezorging staat dat in de lijkbezorging wordt voorzien door degene die het verlof tot begraving of crematie heeft aangevraagd. Verder bepaalt deze wet dat de lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Verklaring van rabbijn

Dat de overledene zelf een Joodse begrafenis wenste wordt ondersteund door een verklaring van de rabbijn van de synagoge van het verzorgingshuis waar de overledene de laatste maanden van zijn leven heeft gewoond. Deze rabbijn heeft verklaard dat de overledene meerdere keren duidelijk te verstaan heeft gegeven dat hij een Joodse begrafenis wil. Volgens de kinderen wil dit alles niets zeggen omdat hun vader toen al geruime tijd leed aan vasculaire dementie en niet meer in staat was zijn wil te bepalen.

Uiterste wil

Maar dit laatste betekent volgens de voorzieningenrechter niet dat aan de volmacht en de verklaring van de rabbijn geen waarde kan worden gehecht. In de Wet op de lijkbezorging staat immers dat een meerderjarige die niet bekwaam is zijn uiterste wil te bepalen, wel beschikkingen kan maken voor zijn begrafenis of crematie. Dat de man dementeerde betekent ook niet zonder meer dat hij op geen enkele wijze in staat was om een duidelijke aanwijzing te geven voor zijn begrafenis.

Voldoende aannemelijk

Er is één probleem: de volmacht voldoet niet aan de eisen van de Wet op de lijkbezorging, omdat deze niet eigenhandig door de overledene is geschreven. Maar dit kan wel bijdragen aan de overtuiging dat de overledene op dat moment een Joodse begrafenis heeft gewild. De advocaat bevestigt dit ook. In een juridische procedure is het uitgangspunt dat een advocaat op zijn woord wordt geloofd. Voor de voorzieningenrechter is het voldoende aannemelijk dat de overledene een Joodse begrafenis wenste. De voorzieningenrechter beveelt dat het lichaam dezelfde dag aan JBW moet worden afgegeven.

ECLI:NL:RBNHO:2025:14300

Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2025:14300 | 04-12-2025

Similar Posts